Sinds een jaar of twee woont mijn moeder op één van de Emmapleinen. Ik woon dichtbij dus ik kan heel vaak even bij haar op bezoek. Soms geef ik haar het middageten, andere keren kriebel ik haar rug of lopen we langs de schilderijen van het Gelders palet. Ondertussen vertel ik haar de kleine nieuwtjes van alledag. Ze praat niet meer terug. Soms huilt ze, maar vaker nog lijkt ze zo ver weg. Hoort ze me eigenlijk wel, vraag ik mij regelmatig af. Doet het er nog toe of ik er nu ben? Maar het laatste wat ik wil, is haar aan haar lot overlaten, dus natuurlijk blijf ik komen.

Sinds een half jaar heb ik op de dinsdagavonden in ieder geval geen vragen meer over het nut van mijn komst. Ik neem mijn moeder mee naar de grote hal en samen met nog vier, vijf, andere dames, vormen wij -in de rust van de avond- de sprookjesclub. Dat wil zeggen, ik sla het sprookjesboek van de gebroeders Grimm open en we wijden ons, bijvoorbeeld, aan het verhaal van Doornroosje. Maar eerst starten we met een kopje koffie.

En halverwege het verhaal las ik een pauze in en nemen we nog een kopje koffie. We bespreken dan meteen ook welke wens de dames zouden doen als zij een fee waren op het geboortefeest van Doornroosje. Mw X vindt een goed karakter belangrijk. Mw Y wenst haar genoeg geld. En dat ze later kinderen krijgt, vinden alle dames ook een goeie wens.

Behalve het lang en gelukkig leven wordt er ook bijna altijd feestgevierd op het einde. Wat moet er volgens de dames gegeten worden op het bruiloftsfeest? De één pleit voor roomsoezen, de ander wil liever iets hartigs: kippenboutjes.

Is het mijn verbeelding, of zit mijn moeder er best tevreden bij? Is het fijn voor haar, dat ze wel mijn stem hoort, maar dat onze club niet per se op haar gericht is? Na ruim een uur breng ik alle leden weer terug naar hun eigen huiskamer. Vorige week deed Mw Z, een wat teruggetrokken dame, voor het eerst mee. ‘Hebt u het naar uw zin gehad?’ vroeg ik op weg naar haar huiskamer. ‘O zeker’, zei ze, ‘ik vond het gezellig’. ‘Dat klinkt goed’, zei ik, ‘zal ik u dan volgende weer op komen halen?’ Ik zag een glimlach verschijnen. ‘Graag’, zei Mw Z, ‘ weet u, ik vind het fijn dat ik ergens bij kan horen’. En kijk, dat vind ik nu weer fijn. Dat een simpele sprookjesclub zoiets kan bewerkstelligen. En dat ik met goed fatsoen weer kan voorlezen, want daar hou ik zo van.

Wilma Sass, dochter van.